Een cel die van alle chromosomen slechts één exemplaar heeft, noemen we haploïd.

In mensen en veel andere dieren zijn alleen de geslachtscellen – eicel en zaadcel – haploïd. Zodra een eicel bevrucht wordt, komen de chromosomen van de eicel en de zaadcel bij elkaar. Dat levert een diploïde zygote op, die van elk chromosoom twee exemplaren in zijn cellen heeft: een van de moeder, en een van de vader. Uit zulke diploïde lichaamscellen kunnen haploïde geslachtscellen worden gemaakt via meiose.

Het aantal verschillende chromosomen dat een organisme in zijn cellen heeft, wordt aangegeven met ‘n’. Haploïde cellen hebben één set van die chromosomen. Het chromosoomaantal in een diploïde cel geven we aan met 2n. Bij mensen geldt n = 23, en dus 2n = 46.