Genen

Genen zijn stukjes DNA die coderen voor een erfelijke eigenschap.

42 articles

Virus

Een virus is een hoeveelheid erfelijk materiaal (DNA of RNA) met daaromheen een eiwitmantel, die levende cellen infecteert. Het DNA of RNA bevat de instructies om nieuwe viruseiwitten te maken. De eiwitmantel beschermt het erfelijk materiaal van het virus en helpt bij het binnendringen van gastheercellen. Doordat virussen de uitrusting missen om zelf eiwitten te maken, hebben ze levende cellen nodig om zich voort te planten.

Transposon

Een transposon is een stukje mobiel DNA in eukaryote cellen dat binnen het genoom van een cel van plaats kan verwisselen. Transposons worden ook wel springende genengenoemd, ook al zijn het geen echte genen en komen ze ook nooit volledig los van het DNA.

Transcriptiefactor

Een transcriptiefactor is een eiwit dat bindt aan de promotor van een gen. Zo zorgt een transcriptiefactor voor meer of minder transcriptie van dat gen.

Transcriptie

Transcriptie is het proces waarin de informatie in DNA nucleotide voor nucleotide wordt omgeschreven in RNA.

Telomeer

Een telomeer is een zich herhalend stuk DNA aan het uiteinde van elk chromosoom. Telomeren beschermen de genen die aan het eind van het chromosoom liggen tegen beschadigingen. 

Suppressorgen

Een suppressorgen is een gen dat een eiwit produceert dat de celcyclus stillegt als DNA in een cel beschadigd is. Zo kan eerst de schade worden hersteld voordat de cel zich deelt, en wordt het beschadigde DNA niet verspreid naar de twee dochtercellen. Daarnaast zorgt een suppressorgen ervoor dat een cel met te veel of onherstelbare DNA-schade overgaat tot automatische celdood, oftewel apoptose.

Structuurgen

De term ‘structuurgen’ wordt gebruikt om in prokaryoten een gen aan te geven dat codeert voor een RNA of eiwit dat betrokken is bij een bepaalde activiteit in de cel.

Stamboomonderzoek

In stamboomonderzoek wordt aan de hand van een familiegeschiedenis onderzocht hoe een bepaalde erfelijke eigenschap overerft. Vaak gaat het in stamboomonderzoek om erfelijke afwijkingen die ziekten veroorzaken. In een stamboom wordt van ouders en nakomelingen over meerdere generaties ingevuld of ze de erfelijke afwijking wel of niet hebben. Door de waarnemingen te vergelijken met de regels voor een monohybride kruising, wordt duidelijk of het allel voor een bepaalde erfelijke afwijking recessief of dominant overerft. Met behulp van stamboomonderzoek kun je de kans berekenen dat een toekomstig kind een erfelijke ziekte zal hebben.

Splicing

Splicing is een proces in eukaryote cellen, waarbij na de transcriptie gedeeltes uit het mRNA worden verwijderd, en de overblijvende stukken aan elkaar worden geplakt.

Single nucleotide polymorphism

Een single nucleotide polymorphism (SNP, uitgesproken als ‘snip’) is een locus van een enkel basenpaar, waarop in minstens één procent van de populatie een variatie in de nucleotide wordt gevonden. Bijvoorbeeld een plek in het genoom waar de helft van de individuen een A heeft, en de andere helft een G.

Short tandem repeat

Een short tandem repeat is een serie herhalingen van korte stukjes nucleotidenvolgorde in het DNA. Het herhaalde stukje DNA bestaat uit twee tot vijf nucleotiden.

rRNA

Ribosomaal RNA (rRNA) is het RNA dat een onderdeel is van de ribosomen. Ribosomen zijn opgebouwd uit eiwitten en rRNA. rRNA zorgt tijdens de translatie voor de vorming van peptidebindingen tussen aminozuren.

RNA-interferentie

RNA-interferentie, oftewel RNAi,  is een proces dat genexpressie remt, door het afbreken of blokkeren van mRNA-moleculen voordat translatie kan plaatsvinden.

Restrictie-enzym

Een restrictie-enzym is een enzym dat een specifieke DNA-volgorde herkent en op die plek de DNA-strengen doorknipt.

Regulatorgen

Regulatorgenen coderen voor transcriptiefactoren, die de expressie van genen kunnen reguleren.

Recombinatie

Recombinatie is de herschikking van allelen, waardoor twee ouders een nakomeling kunnen krijgen met unieke chromosomen, die een unieke combinatie van (hun) erfelijke eigenschappen bevatten.

Recessief

Allelen kunnen in twee categorieën worden ingedeeld: dominante en recessieve allelen.