Eiwitten

Eiwitten zijn moleculen die bestaan uit ketens van aan elkaar gekoppelde aminozuren.

41 articles

Proteine

Proteïnen (ook wel eiwitten genoemd) vormen een grote klasse van biologische moleculen, die bestaan uit polymere ketens van aminozuren.

Weefsel

Een weefsel is een groep gespecialiseerde cellen met een overeenkomstige functie en/of structuur. Cellen in een weefsel kunnen met elkaar in contact staan via kleine kanaaltjes, bestaande uit eiwitten. De cellen zijn ook met elkaar verbonden via de tussencelstof.

Waterstofbrug

Een waterstofbrug is een zwakke chemische verbinding die voorkomt tussen polaire moleculen. Een waterbrug ontstaat als een positief geladen waterstofatoom, dat in een molecuul gebonden is aan een negatief geladen atoom, ook aangetrokken wordt door een negatief geladen atoom van een ander molecuul. Doordat van beide moleculen een negatief geladen atoom trekt aan het positieve waterstofatoom, houdt het waterstofatoom de twee moleculen bij elkaar. In levende cellen ontstaan waterstofbruggen meestal tussen negatief geladen zuurstof- en/of stikstofatomen.

Virus

Een virus is een hoeveelheid erfelijk materiaal (DNA of RNA) met daaromheen een eiwitmantel, die levende cellen infecteert. Het DNA of RNA bevat de instructies om nieuwe viruseiwitten te maken. De eiwitmantel beschermt het erfelijk materiaal van het virus en helpt bij het binnendringen van gastheercellen. Doordat virussen de uitrusting missen om zelf eiwitten te maken, hebben ze levende cellen nodig om zich voort te planten.

Vacuole

De vacuole, een organel, is een met vocht gevuld blaasje omgeven door een membraan.

Tussencelstof

Tussencelstof is het materiaal tussen cellen. De tussencelstof bestaat uit eiwitten en suikers die door cellen worden gemaakt en uitgescheiden.

tRNA

Transfer RNA (tRNA) is het RNA  dat tijdens de translatie de genetische informatie in het mRNA vertaalt naar aminozuren.

Tripletcode

De tripletcode is de code waarmee de nucleotidenvolgorde in RNA vertaald kan worden naar een aminozuurvolgorde in een eiwit.

Transposon

Een transposon is een stukje mobiel DNA in eukaryote cellen dat binnen het genoom van een cel van plaats kan verwisselen. Transposons worden ook wel springende genengenoemd, ook al zijn het geen echte genen en komen ze ook nooit volledig los van het DNA.

Translatie

Translatie is het ‘vertalen’ van mRNA in eiwit. Het proces vindt plaats aan de ribosomen. In de translatie wordt de nucleotidenvolgorde van het mRNA herkend, en worden de bijbehorende aminozuren aan elkaar gekoppeld tot een eiwit.

Transcriptiefactor

Een transcriptiefactor is een eiwit dat bindt aan de promotor van een gen. Zo zorgt een transcriptiefactor voor meer of minder transcriptie van dat gen.

Suppressorgen

Een suppressorgen is een gen dat een eiwit produceert dat de celcyclus stillegt als DNA in een cel beschadigd is. Zo kan eerst de schade worden hersteld voordat de cel zich deelt, en wordt het beschadigde DNA niet verspreid naar de twee dochtercellen. Daarnaast zorgt een suppressorgen ervoor dat een cel met te veel of onherstelbare DNA-schade overgaat tot automatische celdood, oftewel apoptose.

Structuurgen

De term ‘structuurgen’ wordt gebruikt om in prokaryoten een gen aan te geven dat codeert voor een RNA of eiwit dat betrokken is bij een bepaalde activiteit in de cel.

rRNA

Ribosomaal RNA (rRNA) is het RNA dat een onderdeel is van de ribosomen. Ribosomen zijn opgebouwd uit eiwitten en rRNA. rRNA zorgt tijdens de translatie voor de vorming van peptidebindingen tussen aminozuren.

RNA-polymerase

RNA-polymerase is het enzym dat bij transcriptie het RNA maakt. Hierbij worden de nucleotiden Guanine (G), Cytosine (C), Adenine (A) en Uracil (U) gebruikt. RNA-polymerase kan een RNA-keten zelf starten. Er is dus geen primer nodig, zoals bij DNA-polymerase. 

RNA

RNA is een molecuul dat, net als DNA, bestaat uit een reeks aan elkaar gekoppelde nucleotiden. In de cel hebben RNA-moleculen verschillende functies rondom de eiwitsynthese.

Ribosoom

Een ribosoom is het onderdeel van de cel dat eiwitten maakt. Ribosomen zijn zelf opgebouwd uit eiwitten en rRNA, en bestaan elk uit een groot en een klein deel die tijdens de eiwitsynthese bij elkaar komen. Alle levende cellen hebben ribosomen.

Recessief

Allelen kunnen in twee categorieën worden ingedeeld: dominante en recessieve allelen. 

Proto-oncogen

Een proto-oncogen is een gen dat codeert voor een eiwit dat groei en celdelingstimuleert. 

Plastide

Plastiden zijn een type grote organellen in plantencellen, omgeven door twee membranen. Ze maken belangrijke stoffen voor de cel en slaan die op. Chloroplasten (bladgroenkorrels), amyloplasten en chromoplasten zijn de belangrijkste plastiden. Plastiden hebben eigen DNA en ribosomen en kunnen daarmee, onafhankelijk van de celkern, zelf enkele eiwitten maken.

Plasmide

Een plasmide is een klein, ringvormig DNA-molecuul in bacteriën. Bacteriën hebben, naast één eveneens ringvormig chromosoom, een aantal van zulke kleine plasmiden die zich onafhankelijk van het chromosoom kunnen verdubbelen. Sommige eukaryote cellen, zoals gist, bevatten ook plasmiden.

ncDNA

Niet-coderend DNA (ncDNA) is DNA dat geen informatie bevat voor de synthese van RNAen eiwitten. Het merendeel van het eukaryote genoom bestaat uit niet-coderend DNA. In de mens is zo’n 98,5% van het genoom niet-coderend.

Mutatie

Een mutatie is een verandering in de nucleotidenvolgorde van het DNA van een organisme. Mutaties komen ook voor in het DNA of RNA van virussen. Als een mutatie ontstaat in een  geslachtscel, dan kan die mutatie worden doorgegeven aan de volgende generatie.

mtDNA

Het mitochondriaal DNA (mtDNA) is het eigen DNA van de mitochondriën. Het heeft de vorm van een ringvormig chromosoom. Mitochondriën kunnen met hun mtDNA zelf, onafhankelijk van de celkern, enkele eiwitten maken. Het mtDNA bevat onder meer de informatie om enzymen te maken die betrokken zijn bij de verbranding, de belangrijkste taak van het mitochondrium. Het mtDNA wordt meestal niet tot het genoom van een organisme gerekend.

mRNA

mRNA, of messenger RNA, is RNA dat nucleotide voor nucleotide overgeschreven is van een (DNA-)gen. Aan de hand van de nucleotidenvolgorde in dat mRNA wordt vervolgens een eiwit samengesteld uit aminozuren. Het overschrijven van DNA in mRNA noemen we transcriptie, het vertalen van mRNA naar eiwit heet translatie.

Mitose

De mitose is het deel van de celcylcus in eukaryoten waarin de celkern en de cel zich delen. De interfase beslaat de rest van de celcyclus. Mitose is een centraal proces in de groei van weefsels en organisme.

Mitochondrium

Het mitochondrium is een organel dat de cel energie levert. Mitochondriën zijn omgeven door twee membranen en hebben hun eigen DNA. Alleen eukaryote cellen hebben mitochondriën.

Lysosoom

Een lysosoom is een organel dat grote moleculen in de cel verteert. Het lysosoom is een blaasje omgeven door een membraan, en bevat verteringsenzymen. Alleen dierlijke cellen hebben lysosomen.

Interfase

De interfase omvat het grootste deel van de eukaryote celcyclus. Naast de interfase bestaat die celcyclus uit de mitose. De meeste cellen bevinden zich het grootste deel van de tijd in de interfase. De interfase bestaat uit drie subfasen: de G1-, S-, en G2-fase.

Hox-gen

De Hox-genen zijn een groep regulatorgenen in dieren, die betrokken zijn bij de allereerste ontwikkeling van een individu, in het stadium van enkele cellen. Op verschillende plekken langs de lichaamsas komen verschillende combinaties van Hox-genen tot expressie, die de ontwikkeling van die plek tot een bepaald lichaamsdeel – bijvoorbeeld een kop, een achterlijf, een borstsegment – starten.

Groeiarrest

Groeiarrest is de gebeurtenis waarbij een cel de celcyclus staakt en niet overgaat tot celdeling.

Golgi-apparaat

Het golgi-apparaat of golgi-systeem, een organel, is een stapel platte zakjes gevormd door een membraan. In het golgi-systeem worden eiwitten en vetten afkomstig uit het endoplasmatisch reticulum verder bewerkt, opgeslagen en getransporteerd. Het golgi-apparaat komt alleen voor in eukaryote cellen.

Gelelektroforese

Gelelektroforese is een techniek waarmee moleculen, zoals DNA, RNA en eiwitten, op grootte kunnen worden gescheiden.

ELISA

Enzyme-Linked Immuno Sorbent Assay (ELISA) is een laboratoriumtest waarmee de aanwezigheid van specifieke eiwitten in een vloeistof gemeten kan worden. Een ELISA is gebaseerd op de specifieke binding tussen eiwitten en antilichamen.

Eiwitten

Eiwitten zijn moleculen die bestaan uit ketens van aan elkaar gekoppelde aminozuren. Meerdere aan elkaar gekoppelde aminozuren vormen een polypeptide. Sommige eiwitten bestaan uit één polypeptide, andere eiwitten bestaan uit meerdere polypeptiden. Zo kan een eiwit bestaan uit enkele honderden tot wel duizenden aminozuren, en zich opvouwen en oprollen tot 3d-structuren met unieke eigenschappen.

Dominant

Allelen kunnen in twee categorieën worden ingedeeld: dominante en recessieve allelen. Een volledig dominant allel komt altijd tot uitdrukking in het fenotype als hij in het genotype aanwezig is. Een heterozygoot individu heeft daardoor hetzelfde fenotype als een homozygoot dominant individu. 

Cytoskelet

Het cytoskelet is een netwerk van eiwitdraden en eiwitbuisjes in een cel. Het cytoskelet zorgt ervoor dat de cel zijn vorm behoudt. Daarnaast speelt het een belangrijke rol bij de celdeling en bij het transport van stoffen. In het cytoskelet kunnen drie verschillende structuren voorkomen: microtubuli, intermediaire filamenten en actinedraden.