Resultaten voor DNA

108 Results

Apoptose

Apoptose is het proces waarin een cel zichzelf doodt.

4

Waterstofbrug

Een waterstofbrug is een zwakke chemische verbinding die voorkomt tussen polaire moleculen. Een waterbrug ontstaat als een positief geladen waterstofatoom, dat in een molecuul gebonden is aan een negatief geladen atoom, ook aangetrokken wordt door een negatief geladen atoom van een ander molecuul. Doordat van beide moleculen een negatief geladen atoom trekt aan het positieve waterstofatoom, houdt het waterstofatoom de twee moleculen bij elkaar. In levende cellen ontstaan waterstofbruggen meestal tussen negatief geladen zuurstof- en/of stikstofatomen.

Virus

Een virus is een hoeveelheid erfelijk materiaal (DNA of RNA) met daaromheen een eiwitmantel, die levende cellen infecteert. Het DNA of RNA bevat de instructies om nieuwe viruseiwitten te maken. De eiwitmantel beschermt het erfelijk materiaal van het virus en helpt bij het binnendringen van gastheercellen. Doordat virussen de uitrusting missen om zelf eiwitten te maken, hebben ze levende cellen nodig om zich voort te planten.

1

Tripletcode

De tripletcode is de code waarmee de nucleotidenvolgorde in RNA vertaald kan worden naar een aminozuurvolgorde in een eiwit.

Transposon

Een transposon is een stukje mobiel DNA in eukaryote cellen dat binnen het genoom van een cel van plaats kan verwisselen. Transposons worden ook wel springende genengenoemd, ook al zijn het geen echte genen en komen ze ook nooit volledig los van het DNA.

Transcriptiefactor

Een transcriptiefactor is een eiwit dat bindt aan de promotor van een gen. Zo zorgt een transcriptiefactor voor meer of minder transcriptie van dat gen.

Transcriptie

Transcriptie is het proces waarin de informatie in DNA nucleotide voor nucleotide wordt omgeschreven in RNA.

Telomeer

Een telomeer is een zich herhalend stuk DNA aan het uiteinde van elk chromosoom. Telomeren beschermen de genen die aan het eind van het chromosoom liggen tegen beschadigingen. 

1

Suppressorgen

Een suppressorgen is een gen dat een eiwit produceert dat de celcyclus stillegt als DNA in een cel beschadigd is. Zo kan eerst de schade worden hersteld voordat de cel zich deelt, en wordt het beschadigde DNA niet verspreid naar de twee dochtercellen. Daarnaast zorgt een suppressorgen ervoor dat een cel met te veel of onherstelbare DNA-schade overgaat tot automatische celdood, oftewel apoptose.

Structuurgen

De term ‘structuurgen’ wordt gebruikt om in prokaryoten een gen aan te geven dat codeert voor een RNA of eiwit dat betrokken is bij een bepaalde activiteit in de cel.

1

Splicing

Splicing is een proces in eukaryote cellen, waarbij na de transcriptie gedeeltes uit het mRNA worden verwijderd, en de overblijvende stukken aan elkaar worden geplakt.

Single nucleotide polymorphism

Een single nucleotide polymorphism (SNP, uitgesproken als ‘snip’) is een locus van een enkel basenpaar, waarop in minstens één procent van de populatie een variatie in de nucleotide wordt gevonden. Bijvoorbeeld een plek in het genoom waar de helft van de individuen een A heeft, en de andere helft een G.

2

Short tandem repeat

Een short tandem repeat is een serie herhalingen van korte stukjes nucleotidenvolgorde in het DNA. Het herhaalde stukje DNA bestaat uit twee tot vijf nucleotiden.

rRNA

Ribosomaal RNA (rRNA) is het RNA dat een onderdeel is van de ribosomen. Ribosomen zijn opgebouwd uit eiwitten en rRNA. rRNA zorgt tijdens de translatie voor de vorming van peptidebindingen tussen aminozuren.

5

RNA-polymerase

RNA-polymerase is het enzym dat bij transcriptie het RNA maakt. Hierbij worden de nucleotiden Guanine (G), Cytosine (C), Adenine (A) en Uracil (U) gebruikt. RNA-polymerase kan een RNA-keten zelf starten. Er is dus geen primer nodig, zoals bij DNA-polymerase. 

1

RNA

RNA is een molecuul dat, net als DNA, bestaat uit een reeks aan elkaar gekoppelde nucleotiden. In de cel hebben RNA-moleculen verschillende functies rondom de eiwitsynthese.

4

Ribosoom

Een ribosoom is het onderdeel van de cel dat eiwitten maakt. Ribosomen zijn zelf opgebouwd uit eiwitten en rRNA, en bestaan elk uit een groot en een klein deel die tijdens de eiwitsynthese bij elkaar komen. Alle levende cellen hebben ribosomen.

Restrictie-enzym

Een restrictie-enzym is een enzym dat een specifieke DNA-volgorde herkent en op die plek de DNA-strengen doorknipt.

4

Regulatorgen

Regulatorgenen coderen voor transcriptiefactoren, die de expressie van genen kunnen reguleren.

1

Recombinatie

Recombinatie is de herschikking van allelen, waardoor twee ouders een nakomeling kunnen krijgen met unieke chromosomen, die een unieke combinatie van (hun) erfelijke eigenschappen bevatten.

2

Proto-oncogen

Een proto-oncogen is een gen dat codeert voor een eiwit dat groei en celdelingstimuleert. 

1

Promotor

Een promotor is een specifieke sequentie in het DNA waaraan transcriptiefactorenkunnen binden. Op die manier wordt transcriptie gereguleerd.

1

Prokaryoot

Een prokaryote cel is een cel zonder celkern. Organismen die uit prokaryote cellen bestaan, zoals bacteriën, heten prokaryoten. Het belangrijkste verschil tussen prokaryoten en eukaryoten, is dat prokaryoten geen celkern hebben en eukaryoten wel.

7

Primer

Een primer is een kort stukje enkelstrengs RNA dat aan het begin van de DNA-replicatievia basenparing gebonden is aan de DNA-sjabloonstreng.

Polyploïdie

Een cel die van alle chromosomen meer dan twee exemplaren heeft, noemen we polyploïd.Het aantal verschillende chromosomen dat een organisme in zijn cellen heeft, wordt aangegeven met ‘n’. Het chromosoomaantal in een haploïde cel (een geslachtscel bijvoorbeeld) is n, in een diploïde cel 2n. Het aantal chromosomen verschilt per organisme. Bij mensen geldt n = 23, en dus 2n = 46; bij honden is 2n bijvoorbeeld 78, bij fruitvliegen 8.

2

Plastide

Plastiden zijn een type grote organellen in plantencellen, omgeven door twee membranen. Ze maken belangrijke stoffen voor de cel en slaan die op. Chloroplasten (bladgroenkorrels), amyloplasten en chromoplasten zijn de belangrijkste plastiden. Plastiden hebben eigen DNA en ribosomen en kunnen daarmee, onafhankelijk van de celkern, zelf enkele eiwitten maken.

2

Plasmide

Een plasmide is een klein, ringvormig DNA-molecuul in bacteriën. Bacteriën hebben, naast één eveneens ringvormig chromosoom, een aantal van zulke kleine plasmiden die zich onafhankelijk van het chromosoom kunnen verdubbelen. Sommige eukaryote cellen, zoals gist, bevatten ook plasmiden.

1

PCR

PCR is een techniek waarmee een kleine hoeveelheid van een specifieke nucleotidenvolgorde een groot aantal keren gekopieerd wordt via kunstmatige DNA-replicatie. PCR staat voor Polymerase Chain Reaction (polymerase ketting reactie).De PCR-reactie bestaat uit drie verschillende stappen.

Nucleotiden

Nucleotiden zijn de bouwstenen waaruit DNA- en RNA-moleculen zijn opgebouwd. De erfelijke informatie ligt besloten in de volgorde, oftewel sequentie, van de nucleotiden in die moleculen. Een nucleotide bestaat uit drie onderdelen: een stikstofbase, een suikergroep en een of meer fosfaatgroepen. 

3

Mutatie

Een mutatie is een verandering in de nucleotidenvolgorde van het DNA van een organisme. Mutaties komen ook voor in het DNA of RNA van virussen. Als een mutatie ontstaat in een  geslachtscel, dan kan die mutatie worden doorgegeven aan de volgende generatie.

4

mRNA

mRNA, of messenger RNA, is RNA dat nucleotide voor nucleotide overgeschreven is van een (DNA-)gen. Aan de hand van de nucleotidenvolgorde in dat mRNA wordt vervolgens een eiwit samengesteld uit aminozuren. Het overschrijven van DNA in mRNA noemen we transcriptie, het vertalen van mRNA naar eiwit heet translatie.

Mitose

De mitose is het deel van de celcylcus in eukaryoten waarin de celkern en de cel zich delen. De interfase beslaat de rest van de celcyclus. Mitose is een centraal proces in de groei van weefsels en organisme.

Mitochondrium

Het mitochondrium is een organel dat de cel energie levert. Mitochondriën zijn omgeven door twee membranen en hebben hun eigen DNA. Alleen eukaryote cellen hebben mitochondriën.

Microarray

Met een microarray kan een patroon van genexpressie zichtbaar gemaakt kan worden. Op een klein glazen plaatje is een groot aantal druppeltjes vastgehecht met in elk druppeltje stukjes enkelstrengs DNA uit één gen van een organisme.

1

Meiose

Meiose is het proces van celdeling waarbij vier dochtercellen ieder de helft van het aantal chromosomen van een oudercel krijgen. Meiose vindt alleen plaats in geslachtsorganen van eukaryote organismen en leidt tot de productie van geslachtscellen.

3