In Azië heeft de veredeling van rijst geleid tot een hogere productie. Voor West-Afrika is de rijstteelt minstens zo belangrijk. In deze regio heeft veredeling niet een zelfde succes opgeleverd als in Azië.
Dat de rijst die we in Nederland eten oorspronkelijk uit Zuid-Oost-Azië komt, weten de meeste mensen wel. Iedereen heeft wel eens beelden gezien van uitgestrekte rijstvelden (sawa's) in landen als Indonesië, India of China. In deze regio zijn mensen ongeveer 10.000 jaar geleden met het telen van rijst begonnen. Deze landen hebben dan ook een rijke traditie in het telen van rijst.

Dat er ook een rijke traditie van rijstteelt bestaat in West-Afrika is minder bekend. De inwoners zijn ongeveer 3.500 jaar geleden begonnen met het telen van rijst. Waarschijnlijk is dat het eerst gebeurd in Mali, langs de inlandse delta van de rivier de Niger.
In veel Aziatische landen heeft de Groene Revolutie, gebruik van verbeterde rassen, irrigatie, kunstmest en pesticiden, in de jaren 60-70 geleid tot een flinke verbetering in de voedselproductie; sommige landen zijn veranderd van rijstimporteurs in rijstexporteurs. Daarentegen wordt in West-Afrika slechts 10-15% van het totale rijstareaal bebouwd met verbeterde rassen. Boeren verbouwen nog steeds voornamelijk de rassen die zij en hun voorouders geselecteerd hebben. De Groene Revolutie heeft niet gewerkt in Afrika. Eén van de redenen daarvoor is dat er niet zoveel gebieden zijn in Afrika die geschikt zijn voor irrigatie, belangrijk voor het verkrijgen van hoge opbrengsten. In veel West-Afrikaanse landen is de regenval ook minder en onregelmatiger. Het is moeilijker om met verbeterde rassen in West-Afrika een hogere opbrengst te verkrijgen dan in Zuid-Oost-Azië.
Voor West-Afrika essentiële eigenschappen als droogte-, aluminium-, ijzer- en zouttolerantie zijn moeilijk met traditionele veredeling te verbeteren. Er is dan een slimmere manier van veredelen nodig. Nu is het hele rijstgenoom in het jaar 2000 in kaart gebracht. De komende jaren kunnen rijstonderzoekers deze informatie gebruiken om de genen te vinden die met deze eigenschappen verband houden. Tijdens het proces van veredeling waarbij honderden kruisingen worden gemaakt, kunnen de veredelaars de rijstplantjes makkelijker op deze genen selecteren. Daardoor kan het veredelingsproces efficiënter en sneller verlopen.
Dit klinkt heel mooi. Er zijn echter een aantal maar’s. Het meeste rijst genomics-onderzoek richt zich niet op West-Afrika, maar op Zuid-Oost-Azië. Dat komt doordat er in West-Afrika nauwelijks kennis is over genomics. Bovendien is gebleken dat bovengenoemde eigenschappen complexer zijn dan gedacht. Zo werken de genen die planten bestand maken tegen droogte- en aluminium op een ingewikkelde manier met elkaar samen. Een derde reden is dat de ideeën van genomics-onderzoekers over veredeling sterk verschillen van die van plantenveredelaars. Het zijn twee verschillende culturen, die wel met elkaar samen moeten werken, om nieuwe waardevolle rassen te verkrijgen. De vraag is nu hoe het cultuurverschil tussen deze groepen onderzoekers overbrugd kan worden.
Ondanks alle wetenschappelijke kennis die veredelaars tot hun beschikking hebben, gebruiken boeren in West-Afrika nog steeds voornamelijk hun eigen rassen, die een betere opbrengst geven dan de verbeterde rassen. Blijkbaar is er iets wat wetenschappers van deze boeren kunnen leren. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat veredelaars meer gaan samenwerken met boeren? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat genomics-onderzoekers, veredelaars en boeren meer contact met elkaar hebben? Dan zou de genoom-informatie effectief gebruikt kunnen worden voor het verbeteren van rassen. Hierdoor zou de rijstproductie in West-Afrika ook kunnen verbeteren.
Genomics-onderzoek gericht op West-Afrikaanse rijst is er dus nauwelijks. Bovendien zijn veel onderzoeksprojecten kort van duur en krijgen deze vaak geen vervolg. De kans is groot dat interessante initiatieven voor samenwerking tussen genomics-onderzoekers, veredelaars en boeren stranden. Die samenwerking moet concreet gestalte krijgen, opdat de continuïteit ervan is gewaarborgd. Dit is belangrijk omdat veredeling een lang proces is; het ontwikkelen, testen en uitbrengen van een nieuw ras duurt al gauw 5 tot 6 jaar, soms kan het 10 jaar duren.
Genomics is dus geen wondermiddel, maar kan wel gebruikt worden om allerlei ingewikkelde eigenschappen te verbeteren - zonder gebruik te maken van genetische manipulatie. Een bijdrage van genomics aan een betere voedselproductie in West-Afrika hangt af van de mogelijkheid om een raamwerk te ontwikkelen. Hierdoor kan het genomicsonderzoek zich richten op de problemen waar West-Afrikaanse boeren in de praktijk mee te maken hebben.