Wageningse onderzoekers proberen de aardappelziekte te bestrijden door de aardappel zelf te veranderen. Zij doen dit door genen van wilde aardappelen in de cultuuraardappel te brengen.

Overal in de wereld heerst de aardappelziekte met de officiële naam Phytophthora infestans. In Nederland bespuiten boeren het gewas ongeveer 15 keer per jaar met chemische middelen, tegen hoge kosten met negatieve gevolgen voor het milieu. In armere landen waar de aardappel in een nat seizoen of gebied wordt geteeld doen ze dat niet met als gevolg dat veel planten halverwege het seizoen dood gaan. Onderzoekers van het Wageningse DuRPh-project sporen resistentiegenen op in wilde aardappelsoorten en brengen die via genetische modificatie over in bestaande rassen zoals de Désirée. Als dat lukt kan daarmee de cultuuraardappel ineens volledig resistent zijn, waardoor bespuiting achterwege kan blijven. Als dat voor langere tijd lukt, is er een groot maatschappelijk en milieuprobleem opgelost. Consumenten moeten deze aardappelen dan wel accepteren.
Het DuRPh-project staat voor Duurzame resistentie tegen Phytophthora in aardappel door cisgene merkervrije modificatie. Cisgeen wil zeggen dat de onderzoekers alleen genen overbrengen van (wilde) aardappel naar aardappel. In theorie zou dat ook kunnen door die aardappelen met elkaar te kruisen. Het probleem is echter dat het al gauw twintig jaar duurt om daaruit weer een goed ras te ontwikkelen. Ook brengen de onderzoekers hierbij geen hulpgenen in de aardappel, zogenaamde merkergenen zoals genen die zorgen voor herbicide- of antibioticumresistentie.
Na het opkweken van plantjes uit die cellen selecteren ze resistente planten die anders exact lijken op het ras waarmee begonnen werd. In het lab kijken ze of een aardappel resistent geworden is door alle bekende stammen van Phytophthora erop los te laten. Wanneer zo'n aardappel resistent blijkt te zijn controleren de onderzoekers in het lab welke genen ze hadden overgebracht.
In de klassieke veredeling tegen de aardappelziekte doorbrak de ziekte de resistentie bij de aardappel steeds na een paar jaar. De verwachting is dat dat nu langzamer gaat, omdat niet één maar een setje resistentiegenen in bestaande rassen wordt ingebouwd. Die setjes kan men per streek en jaar wijzigen om zo op een strategische manier de ziekte steeds een stapje voor te blijven.
Belanghebbenden en belangstellenden worden van meet af aan betrokken bij het onderzoek. Zij discussiëren over de voor- en nadelen van de ontwikkeling van een aardappel die tegen de aardappelziekte bestand is. Voordelen zijn minder kosten, chemie en kansen voor ontwikkelingslanden. De inzet van genetische modificatie kan door sommigen als een nadeel worden gezien. Doel is dat iedereen zich hierover een mening kan vormen.