
Genomics is een onmisbaar hulpmiddel bij het verbeteren van aardappelrassen. Eigenschappen van wilde varianten worden in de plant teruggekweekt.
Aardappels horen bij Nederland als kaas en tulpen. Het is dan ook geen wonder dat er op grote schaal onderzoek wordt gedaan om de kwaliteit van de aardappel te blijven verbeteren. Het gaat dan om het ontwikkelen van nieuwe variëteiten, maar ook om het bestrijden van de aardappelziekte. Deze door de Phytophthora infestans (een waterschimmel, een soort micro-organisme) veroorzaakte ziekte leidt jaarlijks wereldwijd tot grote opbrengstverliezen. De meeste boeren zijn daardoor gedwongen om grote hoeveelheden bestrijdingsmiddelen te gebruiken.
De aardappel is een plant van het geslacht Solanum. Familieleden zijn bijvoorbeeld de tomaat en de aubergine. Daarnaast zijn er ook talloze wilde varianten die niet door de mens gebruikt worden voor consumptie. Die gewassen hebben daardoor vaak nog eigenschappen die wij in de loop der eeuwen uit ons cultuurgewas hebben weggekweekt. Het gaat dan vaak om genen die de plant weerstand geven tegen ziekten, zoals de beruchte aardappelziekte. Maar ook genen die de smaak beïnvloeden zijn vaak verloren gegaan, omdat de nadruk van kwekers veelal op hogere opbrengst lag.
Onderzoekers in Wageningen brengen daarom van ruim vierhonderd variëteiten en wilde voorouders de genetische informatie in kaart. Die informatie wordt gecombineerd met bestaande kennis over weerstand tegen ziekten, groei-eigenschappen en opbrengsten. Deze kennis is onmisbaar bij het ontwikkelen van nieuwe gewassen met eigenschappen waarmee de kwaliteit van de aardappel verbeterd kan worden.
Voor het ontwikkelen van nieuwe aardappelrassen worden weliswaar genomics-technieken gebruikt, maar dat wil niet zeggen dat de nieuwe gewassen langs de weg van genetische manipulatie tot stand komen. De technieken worden gebruikt om langs traditionele weg gewenste eigenschappen in het cultuurgewas te kruisen. Deze techniek wordt marker assisted breeding genoemd.