In Nederland is het produceren van genetisch aangepaste voedingsmiddelen en grondstoffen voor voedingsmiddelen en grondstoffen voor voedingsmiddelen toegestaan.
Het genetisch aanpassen van gewassen betekent dat nieuwe erfelijke eigenschappen worden veranderd of toegevoegd. De toegevoegde genen kunnen afkomstig zijn van elk ander levend organisme: ééncelligen, planten, dieren en mensen. De aanpassing is vaak gericht op het verbeteren van de opbrengst van een gewas, dat is het geval bij nieuwe koolzaadrassen die meer olie of andere olie (er is koolzaad dat laureaatolie produceert) aanmaken en bij enkele schimmels en bacteriën die nieuwe enzymen aanmaken. Maar in enkele gevallen houdt de aanpassing in dat gewassen resistent zijn gemaakt tegen bestrijdingsmiddelen, zodat effectiever gebruik kan worden gemaakt van bestrijdingsmiddelen. Dit zou moeten leiden tot een schoner milieu en verbeterde werkomstandigheden voor boeren.
Het bekendste voorbeeld van een aangepast gewas is de soja van het bedrijf Monsanto, dat sinds 1996 op de Europese markt is toegelaten. De soja is met behulp van genetische modificatie immuun gemaakt voor het bestrijdingsmiddel Roundup met de werkzame stof glyfosaat. Dit middel bestrijdt onkruiden doordat het de aanmaak remt van essentiële aminozuren. De nieuwe soja is resistent gemaakt door het plaatsen van het gen cp4, verantwoordelijk voor de aanmaak van het eiwit EPSPS. Het cp4-EPSPS gen is oorspronkelijk afkomstig uit de bacterie Agrobacterium (sub-species cp4). Voor de toegelaten soja is dit gen nagebouwd. Met cp4 kan de soja wel de essentiële eiwitten aanmaken en overleeft de besproeiing van de akker.

Monsanto claimt dat zijn soja minder bestrijdingsmiddelen nodig heeft dan de klassieke soorten. Maar of de boer daadwerkelijk minder bestrijdingsmiddel gaat gebruiken, staat nog niet vast. Volgens het 'US Northwest Science and Environmental Policy Center' gebruikten boeren met Roundup Ready'-soja van Monsanto in 1998 ruim elf procent meer bestrijdingsmiddelen dan bij conventionele soja.
Uiteraard bestaan er ook ander methoden om het gebruik van bestrijdingsmiddelen terug te dringen. In de biologische landbouw worden alleen enkele natuurlijke bestrijdingsmiddelen gebruikt. De boer moet echter wel schoffelen. Echter, bij sommige gewassen, zoals de teelt van soja in de VS mag de boer niet schoffelen omdat er dan te veel zand opwaait.
Ook door het kruisen van gewassen wordt gewerkt aan het terugdringen van bestrijdingsmiddelen. Bijvoorbeeld door gewassen bestand te maken tegen nieuwe bestrijdingsmiddelen die minder schadelijk zijn voor het milieu en waarvan de boer minder nodig heeft.
In Nederland is het verplicht op het etiket van een voedingsmiddel aan te geven of bij de productie genetische modificatie is toegepast. Europese richtlijnen schrijven de productiemethoden voor van genetisch aangepaste producten. Dat moet gezondheids- of veiligheidsrisico's van de nieuwe producten vermijden. Er zijn nog geen mensen ziek geworden na het eten van genetisch aangepaste voedingsmiddelen, maar wetenschappelijk is nog niet definitief vast komen te staan dat het gebruik van genetische aangepaste producten nooit risico's met zich zal meebrengen. Er zijn onderzoekers die wijzen op de gevaren van allergische reacties op de nieuwe stoffen, het gevaar van het verdringen van natuurlijke plantensoorten en het transformeren van genetische materiaal in vrij levende organismen die zich kunnen verspreiden en mogelijk en een gezondheidsrisico opleveren, zoals ook virussen en bacteriën dat kunnen doen.