Gewenste voorkennis voor
Organisme niveau
- De leerlingen zijn bekend met de theorieën van Mendel, inclusief de begrippen genotype, fenotype, gen, allel, dominant, recessief, X-chromosomaal en autosomaal.
- De leerling kan monohybride kruisingsschemas maken en aan de hand hiervan voorspellen welke nakomelingen uit een kruising kunnen ontstaan en in welke verhouding.
Cellulair niveau
- Leerlingen kennen de subcellulaire structuur van eukaryote cellen met daarbij in het bijzonder de functies en bouw van de celkern en het celmembraan.
- Leerlingen kennen het verschil tussen de bouw van een plantencel en de bouw van een dierlijke cel.
Moleculair niveau
- De leerlingen weten wat de functie is van DNA, genen en chromosomen en hoe deze zijn opgebouwd.
- De leerlingen weten dat de erfelijke eigenschappen liggen opgeslagen in het DNA en dat de genen hierop coderen voor de eiwitten die een cel kan produceren.
In het practicum komen ook de technieken gelelectroforese en de polymerase-kettingreactie (PCR) aan de orde. Wanneer leerlingen hier al voorkennis van hebben, kan er tijdens het practicum dieper op ingegaan worden. Is dit niet het geval, dan moeten deze technieken kort behandeld worden in de inleidende les, zodat de leerlingen de opzet van het practicum begrijpen.