Planten zijn van nature goede vezelproducenten. Sommige bomen, struikachtige planten zoals hennep, en landbouwgewassen, maar ook bijvoorbeeld bamboe, zijn buigzaam en toch sterk. Dat hebben ze te danken aan de langdradige vezels die de structuur van de plantensoorten vormen. Van die eigenschap en met behulp van genetische aanpassingen kunnen planten worden aangezet tot het leveren van grondstoffen voor de kunststofindustrie.
Een succesvolle toepassing van de groeicapaciteit van planten is de productie van afbreekbare schuimverpakkingen uit bruine algen, een idee van Oostenrijkse onderzoekers van het 'Verpackungszentrum' in Graz. Zij maakten het verpakkingsmateriaal Alginsulate - een isolerende schuimverpakking gemaakt uit gedroogde gemodificeerde bruine algen. In de celwand van de alg zitten alginaten. Alginaten zijn natuurlijke stevigheidweefsels. De onderzoekers bewerkten de alg zodanig dat deze meer van het weefsel maakt en zijn celwand als het ware opblaast tot een sponzig materiaal. Na een industriële bewerking kan de alg dienen als vervanging van polystyreenverpakkingen.
Het Amerikaanse grondstoffenbedrijf Cargill ontwikkelde samen met het Kansas Polymer Research Center (KPRC) van de Pittsburg State University (PSU) het product polyol, een bioplasticgrondstof uit gemodificeerd soja. Polyol zal worden gebruikt voor de urethaanproductie. Urethaan is een bestanddeel van schuimrubber, plastics, vezels, coatings, inkt en kleefstoffen. Nu nog wordt urethaan geproduceerd uit olie.
Er zijn ook andere manieren om van de natuurlijke vezelproductie van planten gebruik te maken. Het bedrijf Plantic Technologies uit Australië maakte enkele jaren geleden twee nieuwe bioplastics op basis van maïsmeel. Eén van de twee varianten die het bedrijf maakt is speciaal geschikt als vervanging van de PET (polyethyleen) fles, omdat het minder smaak afgeeft, maar toch binnen vier weken kan worden afgebroken. Volgens de fabrikant is de nieuwe plastic ook eetbaar. De andere variant lost binnen een uur op in koud water. Daarvoor zijn toepassingen waarvoor een kortere levensduur is vereist, zoals de productie van weggooiservies.

Een ander voorbeeld van een bioplastic is het product van Proterra. Dit bedrijf ontwikkelde een afbreekbaar plastic op basis van aardappelzetmeel dat in de buitengroenteteelt gebruikt kan worden voor het afdekken van de bodem om onkruidgroei tegen te gaan. Het bioplastic blijft vier maanden bruikbaar waarna het biologisch wordt afgebroken. Zo wordt extra arbeid bespaard op het verwijderen van afdekfolie. Bovendien is het een duurzamer product dan klassieke minerale plastics.
Plantaardige basismaterialen worden meer en meer gebruikt voor de productie van vezels. In de glastuinbouw zijn boeren jaren geleden al overgestapt op substraatteelt. Daarin groeien de groenten en het fruit in een vrijstaand of hangend medium, en niet meer in de bodem. Als medium worden steeds vaker biovezels gebruikt, bijvoorbeeld op basis van hennep en olifantsgras. Biopolymeren, zoals eerder beschreven, worden steeds vaker ingezet als verpakkingsmateriaal. Er zijn olie- en waterafstotende biopolymeren, andere soorten kunnen diepvries- en oventemperaturen weerstaan van -25 tot +220 graden Celsius.
In beide gevallen worden de natuurlijke producten als milieuvriendelijk alternatief beschouwd. Vaak zijn ze afbreekbaar of composteerbaar. De prijs van de meeste biovezels of bioplastics liggen nog wel hoger, soms bijna twee keer zo hoog. Desondanks overtreft de vraag het aanbod. Een probleem is dan ook dat het beschikbare oppervlakte aan landbouwareaal tekortschiet. Op dit moment maken de meeste toepassingen nog gebruik van bestaande gewassen. Met behulp van genomics zullen in de toekomst meer soorten kunststoffen ontwikkeld worden door planten met geschikte eigenschappen te zoeken of gewassen door genetische modificatie aan te passen.