Depressiegenen lastig te vinden

De speurtocht naar depressiegenen temidden van de honderdduizenden stukjes DNA.

Witte Hoogendijk, hoogleraar biologische psychiatrie bij het VU Medisch Centrum speurt naar genen die betrokken zijn bij depressie en angst. "Dat onderzoek is nog in een pril stadium, er zal nog jaren overheen gaan voordat we concrete resultaten hebben", aldus Hoogendijk. "Mijn hoop is dat we straks het ziekteverloop van angst en depressie beter kunnen voorspellen."

 

Antidepressivia

In Nederland slikken zo'n één miljoen mensen antidepressiva. Die helpen om de depressie te verdrijven; in de meeste gevallen schrijft de behandelend arts nog een aantal maanden of jaren medicijnen voor om herhaling van de depressie te voorkomen. De helft van deze mensen stopt op een gegeven moment zelf, omdat de klachten een tijd lang zijn uitgebleven. De andere helft gaat trouw door met slikken. Nu blijkt dat 50% van de mensen niet gebaat zijn bij doorslikken. Dat betekent dat van de trouwe doorslikkers de helft er niets aan heeft maar wel de bijwerkingen ervan ondervindt zoals dufheid en slaperigheid. Van degene die zijn gestopt had de helft beter door kunnen gaan met slikken, want hun depressie of angststoornis keert terug. Daarom zouden we patiënten graag gerichter willen kunnen adviseren over doorslikken of niet.

 

Witte Hoogendijk

Biomarkers voor depressie

Om voorspellingen te kunnen doen over het verloop van depressie zoekt Hoogendijk verschillende 'biomarkers' - biologische kenmerken. Die biomarkers zijn veelsoortig: genetische gevoeligheid voor depressie, hersenscans, de variaties in hartritme - een maat voor de toestand van het autonome zenuwstelsel - en de concentraties van stresshormonen in het bloed.

 

Overerving van depressie

Het opsporen van genen gebeurt op twee manieren: via linkage studies en associatiestudies. Bij linkage studies kijken onderzoekers naar families waarbij zowel ouders als kinderen depressies hebben. Onderzocht wordt of er stukken DNA zijn, die door de depressieve ouder aan het depressieve kind worden doorgegeven. Die delen van het DNA die mogelijk samenhangen met depressie kunnen vervolgens nader worden onderzocht.

 

Depressiegenen in de populatie

Bij associatiestudies vergelijken de onderzoekers de variatie van genen binnen families met depressie met de variatie bij niet-depressieve mensen. Ze doen dit door 500.000 plaatsen op het menselijk genoom in de gaten te houden. Deze 500.000 SNIPs zijn een soort vlaggetjes, volgordes in het DNA, verspreid over de chromosomen die van individu tot individu kunnen verschillen. Deze 500.000 DNA-volgorden staan samen op één microarray. Dat betekent dat in één keer bij een persoon de aan- of afwezigheid van elk van de SNIPs gemeten wordt. Ook hier zijn de onderzoekers geïnteresseerd in SNIPs die vaker voorkomen bij depressieve personen.

 

Actieve genen

Een andere benadering om 'depressiegenen' op het spoor te komen is het onderzoeken van de genexpressie (genactiviteit) van alle circa 22.000 genen die de mens heeft. Een gen dat actief is, vertaalt zijn code in RNA. Met behulp van opnieuw een microarray met daarop stukjes DNA van 22.000 genen kijken onderzoekers naar de aanwezigheid van RNA van elk van de genen in witte bloedcellen. Door de activiteit van alle genen in witte bloedcellen van patiënten te vergelijken met de situatie in gezonde personen komen wellicht verschillen aan het licht.

 

Witte bloedcellen

Daarnaast zoeken Hoogendijk en zijn collega's nog naar andere biomarkers voor depressie. Mensen met depressie hebben vaak een veranderd immuunsysteem. Stofjes in het bloed, zoals interleukine 6, een hormoon voor immuuncellen hebben een andere concentratie bij depressie. Daarom is het ook relevant om te kijken naar de activiteit van de genen in deze cellen.

Toekomstbeelden

"Mijn ideaal", zegt Witte Hoogendijk, "is dat een depressieve patiënt straks op basis van een aantal biomarkers van de dokter te horen krijgt of het zin heeft om door te slikken. De volgende stap is dat we op die manier ook verschillende soorten van depressie kunnen aantonen. Wanneer gaat het om zwangerschapsdepressie of burnout die relatief eenvoudig met geneesmiddelen te behandelen zijn? Wie is klaar na een paar gesprekken met een psycholoog en welke patiënten moeten worden doorverwezen naar de psychiater? Ten slotte zou je ook willen voorspellen op welk medicijn een patiënt het best reageert."

 

Depressie op twee

Voor borstkanker kunnen we in een aantal gevallen al vaststellen of een patiënt wel of niet gebaat is bij een bepaald geneesmiddel. De arts heeft daar de beschikking over het tumorweefsel dat hij kan onderzoeken. Onderzoekers van depressie en angststoornissen hebben geen aangedaan lichaamsweefsel; zij moeten het doen met circumstantial evidence. Dat maakt dit onderzoek zo lastig. We moeten ons echter niet vergissen in het belang van depressie voor de volksgezondheid. "In 2020 is depressie de tweede volksziekte, na hart en vaatziekten", aldus Hoogendijk