Je genoom laten testen: hoe het werkt

Je eigen genoom laten testen is heel eenvoudig. Via internet bestel je voor een paar honderd dollar een personal genome test. Je krijgt dan een doe-het-zelf pakketje toegestuurd via de post.

Hiermee kun je heel eenvoudig en pijnloos je eigen DNA-materiaal verzamelen: je spuugt wat speeksel in een buisje of je schraapt een beetje wangslijmvlies van de binnenkant van je mond. Dat stuur je op naar het laboratorium in Amerika en binnen enkele weken ontvang je de toegangscode voor jouw persoonlijke website. Daarop worden de testuitslagen gepubliceerd: jouw erfelijke ziekterisico op twintig tot 110 ziekten, afhankelijk van het bedrijf, en op andere fenotypische eigenschappen zoals je oogkleur en of je gevoelig bent voor verslaving. Kijk maar eens op www.23andme.com of www.navigenics.com.

Maar hoe testen die bedrijven dat eigenlijk? En hoe wetenschappelijk is dat?  

Biomarkers op de snelweg

In een personal genome test screenen onderzoekers  jouw hele genoom (de complete genetische code). Het menselijk DNA bestaat uit ongeveer 3 miljard baseparen. Die worden niet letter voor letter (base voor base) bepaald, maar gescreend op belangrijke informatie. Dat gebeurt aan de hand biomarkers. Om het DNA van één mens te screenen zijn ongeveer 1 miljoen biomarkers nodig. Epidemioloog Cecile Janssens vergelijkt die markers met hectometerpaaltjes op de snelweg: om de 3000 basen staat een marker. Die zijn zo geplaatst dat ze het tussenliggende gebied herkenbaar maken voor de onderzoeker. Net als op de snelweg: de paaltjes zijn niet neergezet om de tien meter, want dat zou overbodig zijn. Maar ook niet om de 10 kilometer, want dan zouden hulpdiensten niet weten waar ze moeten zijn. 

Snips

Biomarkers voor personal genome testing heten in de wetenschappelijke literatuur SNPs: single nucleotide polymorphisms. Je spreekt het uit als ‘snips’. Een SNP is eigenlijk een genetische variatie waarin maar één basepaar verschillend is; op de plek waar jij bijvoorbeeld een C hebt, heeft iemand anders een T. Deze variaties komen heel veel voor onder mensen. Soms veranderen ze niets aan het fenotype, soms hebben ze niet eens een verschillend effect. Ze heten dan ook geen mutaties,  maar veelvoorkomende genetische variaties, of polymorfismen.

Ziekterisico's

SNPs worden in verband gebracht met een verhoogd of verlaagd risico op bepaalde ziektes. Die verbanden zijn te ontdekken in genome-wide association studies (GWAS). GWAS zijn grootschalige onderzoeken waarin van duizenden mensen genetische informatie wordt vergeleken met informatie over hun gezondheid en de ziekten die ze krijgen. Uit zulk soort studies blijkt bijvoorbeeld dat bij veel mensen met type 2 diabetes (ouderdomssuiker) bepaalde SNPs vaker voorkomen. De effecten van zo’n SNP zijn meestal heel klein: ze verhogen of verlagen de kans op de ziekte maar een klein beetje, van bijvoorbeeld 13% naar 16% of 11%. Daar heb je eigenlijk niet zo veel aan.

Kansberekening

Er zijn een aantal SNPs gevonden die juist wèl wat vertellen over de kans op een ziekte, zoals het APOE4 genotype voor Alzheimer. APOE4 is daarom een hoog-risico SNP: mensen met twee allelen  APOE4 (homozygoten) hebben 14 keer zoveel kans op Alzheimer als mensen die geen APOE4 allel hebben. Als je profielen samenstelt uit twintig (of driehonderd) SNPs, dan zou je mensen kunnen vinden die op zeventien van de twintig SNPs de risicovariant hebben. Hun kansen op ziekte kunnen daardoor stijgen van bijvoorbeeld 13% naar misschien 73%. Met zulke informatie kun je echt iets doen, bijvoorbeeld preventief een medicijn voorschrijven.

Verreweg de meeste mensen zullen ongeveer evenveel hoog-risico als laag-risico SNPs hebben. Eenvoudige kansberekening laat zien dat het heel zeldzaam is om de hoog-risicovariant te hebben op alle genen uit een commerciële DNA test. Er voor het gemak even van uitgaande dat je steeds 50% kans hebt om de hoog-risicovariant te hebben (dat is in het echt natuurlijk niet zo), dan heb je (0,5)²⁰ kans om twintig hoog-risico SNPs te hebben, dat is ongeveer 9,5 × 10¯⁷. Dat is even groot als de kans om als vrouw achtereenvolgens twintig dochters te krijgen. 

Wat zegt zo’n test nu eigenlijk?

De genomics wetenschap is relatief jong. Alle effecten en gen-ziekte verbanden zijn nog lang niet boven tafel. Je ziekterisico wordt nu berekend op grond van twintig SNPs, maar het zou kunnen dat over drie jaar bijvoorbeeld bekend is dat ook veertien andere genen bij de ziekte zijn betrokken. Die moeten dan ook in de berekening van het ziekterisico worden opgenomen. En dat betekent weer dat je heel andere testuitslagen kunt krijgen op grond van hetzelfdeDNA: drie jaar geleden had je 6% verlaagde kans op een beroerte, en nu blijkt dat risico met 11% te zijn verhoogd! 

Personal genome tests zijn voor nu vooral leuk en leerzaam. En ze worden steeds betaalbaarder! Maar neem de testuitslagen niet altijd te serieus. Personal genome tests vertellen je nu nog niet zo heel veel over je kansen om ziekten te krijgen. Maak je dus bij het zien van een uitslag niet onnodig zorgen en ga vooral niet zomaar pillen slikken!