Identiteit slachtoffers vaststellen

DNA-onderzoek helpt bij het identificeren van slachtoffers. Vooral bij grote rampen of massamoorden, waarbij veel mensen omkomen en vaak moeilijk vindbaar zijn.

Iedereen herinnert zich nog wel de beelden van de massagraven in Srebrenica, de aanslagen in New York en de vliegtuigramp in de Bijlmer. Of de duizenden doden als gevolg van de recente zeebeving in Zuid-Oost Azië. Bij elk van deze rampen kwam een groot aantal mensen om en was de identificatie van de slachtoffers moeilijk. Speciale Rampen Identificatie Teams (RIT) gaan dan naar de plek van onheil om de lichamen te onderzoeken.

 

Soms weten ze precies wie zich onder de slachtoffers bevinden, andere keren tasten ze volledig in het duister. Ze vragen nabestaanden naar persoonsgebonden gegevens, zoals littekens, gebitsgegevens, tatoeages, sierraden, etc. Als dit niet voldoende is om de identiteit van de slachtoffers te bepalen, dan onderzoeken ze het DNA.

 

 

Op zoek naar het kleine bewijs

Als er een onbekend lijk wordt aangetroffen, kan over het algemeen uit bloed, bot, spier of desnoods tanden een DNA-profiel van deze onbekende persoon worden verkregen. De forensisch onderzoeker kan dit vervolgens vergelijken met de DNA-profielen van mogelijke verwante personen.

 

Bij een vermissing van iemand, kan er geen DNA-profiel van diens lichaam worden verkregen. In dat geval kan men proberen om uit celmateriaal op achtergebleven spullen van deze persoon (tandenborstel, kam etc.) een DNA-profiel te verkrijgen.  

 

Met DNA-onderzoek zijn onder andere Bosnische Serviërs die bij Srebrenica omkwamen, geïdentificeerd. Om ook duizenden andere slachtoffers van de oorlog in Joegoslavië te identificeren is de Internationale Commissie voor Vermiste Personen (ICMP) begin oktober 2004 een actie gestart om referentiemonsters van vluchtelingen, die familieleden missen te verzamelen. Nederland is één van de belangrijkste sponsors van het ICMP.