Je hebt het wel of je hebt het niet. Zo wordt vaak gedacht over de erfelijke ziekte cystic fibrosis of taaislijmziekte (CF). Dat blijkt in de praktijk anders uit te pakken.
Er zijn patiënten met een milde vorm van CF en anderen zijn veel ernstiger ziek. Waarom dit zo is begint pas sinds kort duidelijk te worden. De ernst van de ziekte ligt in ieder geval voor een deel aan de genen. Onderzoek aan CF-genen geeft meer inzicht in de prognose van de patiënt. De arts kan de behandeling dan beter op de patiënt afstemmen.
CF is een van de meest voortkomende, ernstige erfelijke ziekten. Patiënten hebben taai slijm in de longen, de darmen, de alvleesklier, de galblaas en de zaadleiders. Patiënten hebben een grote kans op het ontwikkelen van diabetes en levercirrose. Mannelijke patiënten zijn vrijwel altijd onvruchtbaar. Vooral het slijm in de longen levert een aanslag op de gezondheid en het welzijn van patiënten. Door al het slijm ontstaan ademhalingsproblemen en hebben patiënten veel last van ontsteking in de longen. Afhankelijk van de ernst van de ziekte halen sommige patiënten de volwassen leeftijd niet terwijl andere meer dan 50 jaar oud worden.
Of een patiënt CF heeft of niet blijkt meestal op jonge leeftijd. De ziekte wordt vastgesteld op basis van een zweettest. Daarnaast wordt gekeken naar de mutatie die verantwoordelijk is voor CF, een mutatie van het CFTR-gen op chromosoom 7. Dit gen produceert een eiwit dat in de membraan van cellen van klierweefsel gaat zitten. Het eiwit zorgt voor een juiste afgifte van water; wanneer het niet werkt brengen de cellen onvoldoende water in holtes en afvoergangen van het lichaam en ontstaat te taai slijm. Het niet goed functioneren van het eiwit wordt veroorzaakt door mutaties in het CFTR gen. Daarvan zijn er meer dan 1.000 bekend. In driekwart van de gevallen, echter, betreft het een bepaalde mutatie op één specifieke plaats in het gen.
Van elke 32 mensen in Nederland is er één drager van het gen. Een drager heeft een goed werkend gen en een gen met de mutatie. Dragers merken hier echter niets van. Mensen met twee gemuteerde genen hebben CF; zij hebben geen gezonde genen om op terug te vallen. Ongeveer 1 op 4.000 mensen is CF-patient.
Waar ligt het nu aan dat de een jong sterft en de ander middelbare leeftijd bereikt? Waarom krijgt de een diabetes en de ander niet? Waarom heeft de een al op zijn achtste last van ontstekingen van het longslijm en de ander niet? Gebleken is dat dit te maken heeft met het soort mutatie in het CFTR-gen. Mutaties waarbij de aanmaak van het eiwit voortijdig wordt gestopt of waarbij het eiwit verkeerd gevouwen wordt (de meest voorkomende mutatie) leiden vaak tot een ernstig ziekteverloop. Andere mutaties in het gen leiden tot mildere gevallen van CF; deze mensen zijn minder ernstig ziek en worden ouder.
Binnen de groep van patiënten met dezelfde mutatie in het CFTR-gen kan toch sprake zijn van verschillen in ziekteverloop. Dat kan komen door verschillen in therapietrouw, roken en contact met andere patiënten (grotere kans op besmetting met de bacterie). Het ligt ook aan andere factoren. Zo leven mannen met CF gemiddeld langer dan vrouwen. Ook hebben onderzoekers verschillende genen gevonden die de ernst van de ziekte kunnen beïnvloeden.
Deze modifier-genen vormen het onderwerp voor onderzoek van Martijn Slieker, arts verbonden aan het CF-centrum van het Utrechts Medisch Centrum. We onderzoeken eiwitten die invloed hebben op de werking van het CFTR-eiwit, maar ook genen en eiwitten die een rol spelen bij het bestrijden van ontstekingen. Deze zijn belangrijk, onder andere omdat veel patiënten een infectie hebben met de bacterie Pseudomonas. Afwijkingen in de modifier-genen die betrokken zijn bij de afweer kunnen verklaren waarom de ene CF patient wel zon infectie ontwikkelt en de andere niet.

Nieuwe therapie voor CF-patienten op basis genomics is nog ver weg. Dichterbij is een verbeterde prognose. Een deel van de patiënten ontwikkelt levercirrose. Als we in een vroeg stadium kunnen nagaan of iemand grote kans loopt op cirrose kunnen we snel behandelen. Dat zou kunnen aan de hand van een micro-array of DNA-chip met daarop genen die iets te maken hebben met het ontstaan van levercirrose. Mensen waarvan we verwachten dat ze geen cirrose krijgen, kan een onnodige behandeling bespaard worden. Het onderzoek van Martijn Slieker richt zich op het analyseren van gegevens over enkele honderden verschillende genen in combinatie met gegevens van patiënten.
Toch wordt ook al onderzoek gedaan naar behandeling door middel van genen. Slieker: Men heeft onderzocht of gentherapie, het inbrengen van de juiste CFTR-genen in de longen, werkt bij muizen. Het effect was echter minimaal.