Proefdieren en genomics - Commentaar Proefdiervrij

Proefdiervrij

Sinds 1980 daalde het proefdiergebruik in Nederland van jaar tot jaar. Maar aan die daling kwam een paar jaar geleden abrupt een einde. Genetische experimenten met dieren werden steeds vaker uitgevoerd en zorgden voor een flinke stijging in het gebruik van proefdieren (vooral muizen).

Proefdiergebruik stijgt weer

In 2003 werden in Nederlandse onderzoeksinstellingen werden in totaal 300.000 muizen gebruikt als proefdier. 95.000 van die muizen werden genetisch veranderd. Dat is maar liefst één op elke drie muizen! Ook ratten, konijnen, amfibieën en vissen werden genetisch veranderd door Nederlandse onderzoekers. Maar hun aantallen (in totaal 4000) vallen in het niet bij de aantallen genetisch veranderde muizen. De toegenomen kennis op het gebied van de genetica heeft dus niet alleen voordelen. Een belangrijk nadeel is het toegenomen proefdiergebruik. Over de vraag of al die genetische experimenten met dieren wel zo nodig zijn, verschillen de meningen.

Onderzoekers lijken niet altijd even kritisch te zijn als het om de nieuwe genetische technieken gaat. Vaak wil de ene onderzoeker niet achterblijven bij zijn collega's en ook op de 'genetische trein' springen. Het onderzoek leidt lang niet altijd tot meer inzicht in ziekten of tot betere medicijnen.

Maatschappelijke weerstand

Tegen genetische experimenten bij dieren bestaat veel maatschappelijke weerstand. Zowel burgers, als dierenbelangenorganisaties tekenen protest aan tegen de vergunningen die worden afgegeven om dit onderzoek uit te voeren. Daarbij is een organisatie als Proefdiervrij al verschillende malen door de rechter in het gelijk gesteld. De rechter oordeelde in die gevallen dat de vergunningen voor de genetische experimenten niet in orde waren, omdat er bijvoorbeeld te veel onduidelijk was over het precieze doel van de experimenten.