De mens is sterk verwant aan de gorilla en de chimpansee. Sommige apensoorten kunnen, net als de mens, een koortslip, tuberculose en lepra krijgen. Maar er bestaan ook ziektes die mensen wel kunnen krijgen, maar onze naaste verwanten zelden of nooit, bijvoorbeeld AIDS. Onderzoek naar het DNA van de chimpansee zou ons kunnen vertellen hoe dat komt.
Veel mensen denken dat we afstammen van de apen. Dat klopt niet helemaal. De waarheid ligt iets genuanceerder. De mens en bepaalde hoogontwikkelde apensoorten behoren tot de superfamilie Hominoidea. Deze superfamilie bestaat, naast de mens, uit gibbons, orang-oetans, gorillas, bonobo's en chimpansees. Deze apen worden ook wel mensapen genoemd. De mens en de mensapen hebben hoogstwaarschijnlijk één gezamenlijke voorouder. Er was dus ooit een aapachtige die door de evolutie in verschillende soorten de mens en de mensapen dus is veranderd. Overigens is het waarschijnlijk dat alle organismen één gemeenschappelijke voorouder hebben.
Zulke enorme veranderingen vinden natuurlijk niet van de ene op de andere dag plaats: er gaan vele miljoenen jaren overheen. Wetenschap-pers schatten dat zo'n twaalf miljoen jaar geleden de orang-oetan zich heeft afgesplitst van de gemeenschappelijke voorouder van de mens en de mensapen. Zo'n zeven tot acht miljoen jaar geleden deed de gorilla hetzelfde en de chimpansee/bonobo en de mens ontstonden zo'n vijf tot zeven miljoen jaar geleden. Vanaf dat moment zijn de mensachtigen en de chimpansee/bonobo zich gescheiden gaan ontwikkelen. De chimpansee en de bonobo zijn 2,5 miljoen geleden als aparte soorten uit elkaar gegaan.
Chimpansees en mensen hebben dus wel dezelfde voorouder, maar we zijn niet direct uit chimpansees voortgekomen. We zijn dus een soort verre neven en geen achterkleinkinderen van chimpansees. Dankzij deze verwantschap is de chimpansee het dier dat qua erfelijk materiaal het meest op de mens lijkt. Maar ook de andere mensapen komen genetisch sterk overeen met de mens. Juist hierdoor kunnen ze ons veel leren over waar we vandaan komen en hoe bepaalde ziektes werken.

Het in kaart brengen van het genoom houdt in dat onderzoekers achterhalen wat de volgorde van de bouwstenen (G, A, T en C) in het DNA is. Doordat de mens en de chimpansee aan elkaar verwant zijn, is het verschil tussen beide genomen interessant. Op een gegeven moment heeft een grote groep onderzoekers dan ook besloten het genoom van de chimpansee in kaart te brengen. In 2005 werd het project afgerond. Omdat het menselijk genoom al in 2003 bekend was, kon het meteen met dat van de chimpansee vergeleken worden. Het bleek dat het erfelijke materiaal van de chimpansee voor ongeveer 97,3% overeenkomt met dat van de mens. Het verschil van 2,7% zou kunnen verklaren waarom mensen kunnen praten en waarom chimpansees geen AIDS of de ziekte van Alzheimer kunnen krijgen. Een jaar later is het volledige genoom van de rhesusaap in kaart gebracht. Het bleek voor ongeveer 93% overeen te komen met dat van de mens. Meer dan 98% komt overeen met het genoom van de chimpansee. De genomen van andere mensapen, waaronder de orang-oetan en de gorilla, zullen binnenkort bekend zijn.
Binnen een soort bestaat altijd variatie. Die variatie zorgt ervoor dat het DNA van het ene individu niet precies hetzelfde is als dat van een ander individu. Als dat wel zo zou zijn, dan zou iedereen binnen een soort er vrijwel hetzelfde uitzien. Daarom bestaat er niet zoiets als het genoom van een diersoort. Als een onderzoeker het over het genoom van een diersoort heeft, bedoelt hij daar het gemiddelde genoom van enkele individuen mee. Dat gemiddelde genoom is representatief voor die diersoort. Tussen mensen bestaat ook variatie. De een is lang, de ander kort. De een heeft blond haar, de ander bruin. Die variatie zit ook in een ander punt: sommige mensen krijgen diabetes en anderen niet. Daarom is die variatie tussen individuen interessant. Wat kan de variatie in het DNA ons vertellen over waarom die mensen ziek worden?
Om een beter beeld te krijgen van wat de overeenkomsten en verschillen zijn binnen een soort en tussen soorten moeten de genomen van verschillende individuen en van verschillende soorten onder de loep genomen worden. Die kun je vervolgens met elkaar vergelijken. Het menselijk genoom d.w.z. het gemiddelde genoom van enkele individuen kun je bijvoorbeeld vergelijken met de genomen van verschillende apensoorten, zoals chimpansees en gorillas. Je kijkt dan naar de overeenkomsten en verschillen binnen een soort, maar ook tussen aanverwante soorten.
Bij de mens komen ziektes voor die apen zelden of nooit krijgen. Behalve de mens zijn alleen bepaalde apensoorten gevoelig voor infecties met bijvoorbeeld het menselijke hepatitis virus (een virus dat leverontsteking en leverkanker kan veroorzaken) en specifiekesoorten van de malariaparasiet. Het ontwikkelen en testen van nieuwe vaccins tegen deze ziektes zijn dus alleen mogelijk bij de mens en die apensoorten. Ook lijken de hersenen van sommige apen sterk op die van de mens waardoor ze gebruikt kunnen worden voor onderzoek naar bijvoorbeeld de ziekte van Alzheimer of Parkinson.

Chimpansees kunnen wel met HIV (het virus dat bij mensen AIDS kan veroorzaken) besmet worden, maar worden vervolgens vrijwel nooit ziek. Hoe kan dat? Nadat chimpansees met HIV besmet zijn maken speciale cellen van hun afweersysteem antistoffen aan die ervoor zorgen dat het virus onschadelijk wordt gemaakt. Bij mensen wordt het virus door die antistoffen niet onschadelijk gemaakt. Een bepaald type cellen, dat onmisbaar is voor een effectief werkzaam afweersysteem, gaat bij mensen met AIDS kapot. Bij chimpansees gebeurt dat niet. In de besmette chimpansees worden minder virusdeeltjes gemaakt dan bij mensen.
Ook hebben chimpansees afweercellen die hard optreden tegen de HIV-besmetting waardoor de levensbedreigende ziekte AIDS niet ontstaat. Vergelijking van het menselijke genoom met dat van de chimpansee zou ons een beter beeld kunnen geven over waarom chimpansees vrijwel nooit AIDS krijgen na besmetting met HIV. En die kennis zou mogelijk tot een AIDS-medicijn voor mensen kunnen leiden.
Rhesusapen worden veel gebruikt voor het testen van nieuwe medicijnen tegen AIDS. Bij sommige apen komt een virus voor dat sterk lijkt op HIV. Dat virus heet SIV. Rhesusapen worden, in tegenstelling tot chimpansees, wel ziek na besmetting met SIV. Sterker nog, hun symptomen lijken sterk op die van mensen met AIDS. Hierdoor is de rhesusaap de meest geschikte diersoort om nieuwe medicijnen tegen AIDS te testen.