Genen van gewassen en dieren veranderen is niet nieuw; we doen het eigenlijk al duizenden jaren.

Het eten dat onze grootouders op tafel zetten is anders dan we nu kennen. Wie eet nog postelein of schorseneren? Nee, dan de kiwi of de kumquat. Voedsel wordt uit verre landen gehaald of hier in kassen verbouwd. En de verandering gaat door. We kunnen steeds meer doen met ons voedsel. Misschien groeien er ooit trossen bananen aan de bomen met ingebouwde medicijnen en aardbeiensmaak of komt de biefstuk op je bord uit een kweekbak in een fabriek. Het klinkt ongelofelijk, maar eigenlijk is er weinig nieuws onder de zon. Mensen hebben altijd aan hun eten gesleuteld.
In de verre prehistorie leefden de mensen van het eten dat ze vonden. Het was een avontuurlijk leven. Onze voorouders trokken rond en jaagden op dieren voor vlees en aten vruchten, wortels en bessen die ze onderweg tegenkwamen. Jagers en verzamelaars waren we toen. Als we genoeg eten konden vinden, was het een makkelijk leventje, maar soms vonden we niks. Dan heerste er honger.
Daarom gingen we zo'n tienduizend jaar geleden landbouw bedrijven. Dat was een enorme stap vooruit, want nu hoefden we bijna nooit meer honger te lijden. In het voorjaar zaaiden we velden vol met eetbare planten en in de zomer haalden we de oogst van het land. Voor de rest van het jaar was er dan genoeg te eten. Ook gingen we dieren houden voor vlees en melk. Dat ging duizenden jaren zo door, eigenlijk tot aan de dag van vandaag.

We leerden steeds meer over het verbouwen van planten; wat de lekkerste planten waren, en hoe we die nog lekkerder moesten maken. Bijvoorbeeld door iedere keer alleen de zaden van de lekkerste planten te bewaren. Zo krijg je het jaar daarop een veld vol met alleen de lekkerste aardappels of boerenkool. Ook kun je planten met elkaar kruisen, zodat je goede eigenschappen van verschillende soorten kunt combineren. Dan neem je bijvoorbeeld een tomatenplant die grote tomaten geeft en kruis je die met een plant die kleine, maar extra lekkere tomaten geeft. Met veel geduld en een beetje geluk krijg je dan een plant waar grote, extra lekkere tomaten aan groeien.
Met dieren doe je hetzelfde. Je fokt met de dikste varkens en met de koeien die de meeste en lekkerste melk geven. Op die manier krijg je planten en dieren die zonder onze hulp, in de natuur, niet snel ontstaan zouden zijn. Ze zouden het in de natuur vaak niet meer overleven. Ze zijn handig en lekker voor ons, maar de dieren zijn te tam, dik en traag geworden om in het wild te leven. En de planten zijn ook niet meer in staat om te groeien zonder hulp van de boer die onkruid wiedt en water sproeit. De tamme planten en dieren zien er ook heel anders uit dan hun wilde voorouders. Dat geldt niet alleen voor de dieren. Ook de bloemkool en de spinazie lijken nauwelijks nog op de wilde struiken waar ze ooit uit ontstaan zijn.
Door al die slimme kweek- en foktrucjes kunnen we veel meer monden voeden dan we met alleen jagen en verzamelen zouden kunnen doen. In het Westen produceert minder dan vijf procent van de bevolking het eten voor de rest. De wereldbevolking is dan ook spectaculair gegroeid en groeit nog steeds. En dus is meer eten nodig. We leren gelukkig steeds beter om meer eten uit een stukje grond te halen, maar nog steeds verdwijnt er veel natuur om plaats te maken voor weiden voor koeien en akkers voor gewassen. En ruimte om al die mensen te laten wonen, natuurlijk. Van de wilde natuur blijft steeds minder over.
De afgelopen tientallen jaren leren we steeds meer over het leven. De boeren die duizenden jaren geleden ontdekten dat je met kruisen betere gewassen en vee kon maken, wisten eigenlijk niet precies wat ze nou deden. Ze wisten dát kruisen werkt, maar niet hóe. Tegenwoordig weten we dat wel. We weten nu dat ieder levend wezen bestaat uit ontelbaar veel kleine cellen. Een mens of een plant of een koe bestaat uit miljarden en miljarden van die cellen. Maar ze zijn ontstaan uit één enkele cel; een bevruchte eicel (of een bevrucht zaadje). Die ene cel deelt zich totdat de koe, mens of plant is volgroeid. Iedere cel draagt een compleet bouwplan bij zich: het DNA. Dat de spinazieplant groen moet worden, hoe hoog hij moet worden, hoe snel hij moet groeien, hoe z'n wortels moeten groeien, alles staat beschreven op het DNA.
Als je twee verschillende planten met elkaar kruist, dan meng je het DNA van die planten. De nieuwe plant krijgt van de ene plant de eigenschap 'hoe groot word ik?' En van de andere 'hoe lekker word ik?' Welke eigenschappen de nieuwe plant van welke plant krijgt is een gok; dat zie je pas als de plant volgroeid is. Je moet dus heel vaak kruisen om het goede resultaat te krijgen. Die boer die extra lekkere, grote tomaten wilde kweken, heeft vast ook een boel planten gemaakt waar juist vieze kleine tomaten aan groeien. Maar die gooit hij weg. Door steeds de beste planten (en dieren) te bewaren veranderd je in de loop der tijd het DNA van de plant. Dat wisten die boeren niet, maar dat was wel wat er gebeurde.
Tegenwoordig weten we niet alleen wat er gebeurt, maar kunnen we in een laboratorium direct met het DNA aan de slag. Via allerlei proefjes kun je van een tomatenplant achterhalen waar op het DNA staat geschreven: extra lekker. Dat stukje DNA kun je uit de plant halen en in een andere plant stoppen die bijvoorbeeld al de eigenschap 'supergroot' in zijn DNA heeft staan. In plaats van tientallen jaren proberen heb je dan in één keer de plant die je wilt hebben. Maar het wordt nog gekker. Dat DNA is bij alle levende wezens dezelfde taal geschreven. Je hoeft het dus niet eens bij andere tomatenplanten te laten, als je een betere tomaat wilt maken. Je kunt er eigenschappen inbouwen van andere planten, of zelfs, met wat aanpassingen van dieren of bacteriën.
Op die manier zijn de laatste vijftien jaar een heleboel nieuwe gewassen en ook dieren gemaakt. Zo zijn er maïsplanten die zelf een gifstof maken waar insecten aan doodgaan. Ze maken hun eigen bestrijdingsmiddel. Het DNA dat de plant vertelt hoe dat moet komt uit een bacterie. Omgekeerd zijn er bacteriën die gekweekt worden in grote vaten, omdat ze insuline kunnen maken. Insuline is een middel dat patiënten met suikerziekte nodig hebben. Die bacteriën hebben helemaal niks aan die insuline en normaal gesproken zouden ze het ook niet kunnen (of willen) maken.
Wetenschappers in een laboratorium hebben het DNA voor insuline uit een mensencel gehaald en in een bacterie gebouwd. Het werken aan DNA van planten en dieren is nog heel nieuw. De meeste van de wetenschappers van het eerste uur leven nog steeds en sommigen van hen werken nog gewoon in een laboratorium. Toch is in die korte tijd al heel veel mogelijk. Dus wie weet wat er over honderd jaar zal kunnen. Er worden nu al gewassen gekweekt die medicijnen voor ons maken. Misschien wordt het ooit zelfs mogelijk om vlees te kweken. Dan neem je een koeiencel en verbouwt het DNA zodat de cel in een kweekvat direct in de vorm van een biefstuk groeit. Hoef je geen dieren meer te slachten. Maar zover is het nog lang niet.