Speciaal gefokte varkens kunnen wellicht helpen om het tekort aan donororganen oplossen. Maar dan zijn er nog wel wat problemen op te lossen.

Harten, nieren en andere organen uit genetisch veranderde varkens kunnen misschien worden getransplanteerd in mensen. Dit wordt xenotransplantatie genoemd (van xenos = vreemd). Varkens zouden het meest geschikt zijn als leverancier van die organen, want mensen en varkens lijken inwendig sterk op elkaar. Hun organen zijn ongeveer even groot. Bovendien zijn varkens makkelijk te fokken. Het lijkt dus een ideale oplossing, maar er zijn wel grote problemen.
Een groot probleem met het transplanteren van varkensorganen in mensen is afstoting. Zelfs als we een orgaan van een ander mens krijgen slaat ons afweersysteem al alarm. De ontvanger van bijvoorbeeld een donorhart moet z'n hele leven medicijnen blijven slikken om zijn afweersysteem om de tuin te leiden. Dat veroorzaakt op zichzelf al weer de nodige problemen, want dat afweersysteem hebben we niet voor niets. Voor varkensorganen gelden die problemen in nog veel sterkere mate. Het menselijk afweersysteem herkent het ingeplante orgaan als lichaamsvreemd en stoot het af.
De transplantatievarkens worden genetisch zodanig veranderd dat ze meer op mensen gaan lijken. Dat wil zeggen, hun lichaamscellen maken eiwitten die meer op menselijke eiwitten lijken. Hierdoor wordt het immuunsysteem enigszins misleid. Toch wordt hiermee hooguit de acute afstoting van het donororgaan vermeden. Net als bij menselijke organen blijven medicijnen noodzakelijk, om afstoting op langere termijn te voorkomen.
Varkens dragen allerlei virussen met zich mee, waar ze zelf geen last van hebben. Dat geldt voor ieder organisme. In het genoom van het varken kunnen allerlei slapende retrovirussen van generatie op generatie meeliften zonder dat de varkens daar zelf ziek van worden.
Bij varkens zijn meer dan twintig verschillende van deze ingebouwde retrovirussen ontdekt, maar waarschijnlijk zitten er in het erfelijk materiaal van het varken nog veel meer (onontdekte) virussen. Mensen zouden in theorie via zo'n ingeplant varkensorgaan ziek kunnen worden van onbekende varkensvirussen. In het ergste geval zou dat zelfs een besmettelijke ziekte kunnen zijn. De kans daarop lijkt gelukkig niet groot.
Toch is men voorzichtig als het gaat om de infectierisico's bij transplantatie van varkensorganen. Het is vooralsnog niet mogelijk om de virussen uit de varkens te verwijderen. Het probleem is namelijk dat deze retrovirussen deel zijn gaan uitmaken van het erfelijk materiaal van alle varkens. Ontsmetten helpt niet, want het virus zit in elke cel van het varken. Alleen door de cellen van het varken dood te maken, vernietig je de retrovirussen. Maar dode cellen kunnen nooit een levend orgaan vormen dat getransplanteerd kan worden.
Bij xenotransplantatie krijgt de patiënt dus niet alleen een nieuw (varkens)orgaan, maar ook een nieuwe collectie virussen, die zich in het erfelijk materiaal van de patiënt kunnen inbouwen.
Stel dat het technisch kan, transplantatie van harten en nieren van genetisch aangepaste varkens, die goed werken in de mens, niet direct worden afgestoten en vrij zijn van virussen, willen we dit dan ook? Het is misschien al een raar gevoel om het orgaan van een donor in je lichaam te voelen, maar hoe zit het met een varkenshart. Het hart was toch de spreekwoordelijke plaats van gevoelens en emoties? Maar ja, wat moet je als je een hart nodig hebt en er niet genoeg menselijke donorharten beschikbaar zijn.
En wat betekent dit voor de dieren? We houden ze al duizenden jaren en slachten ze voor ons voedsel. Maar mag je ze ook gebruiken als leverancier van reserveorganen?