De laatste tijd neemt de vraag naar gezonde voeding vooral enorm toe. Ook visolie is in populair. Kan het verrijken van landbouwdieren met visolie een oplossing bieden?

Vette vis bevat een gunstige verhouding tussen gezonde omega-3 en minder gezonde omega-6 vetzuren. Omega-3 vetzuren kunnen we niet uit andere voeding halen of zelf aanmaken. Wetenschappelijke bewijzen van het nut van deze vetzuren voor de gezondheid stapelen zich op en bereiken ook de consument.
De wereldwijde vraag naar visproducten is sinds 1973 verdubbeld en de gevolgen beginnen zich op dramatische wijze te openbaren. Agressieve vangsttechnieken laten hun sporen achter in zee en de visstand loopt dramatisch terug. Vanuit allerlei hoeken van de maatschappij probeert men het tij te keren. De meeste maatregelen lijken echter weinig zoden aan de dijk te zetten.
Een logisch alternatief voor visvangst is kweekvis, maar ook hier zijn bezwaren tegen. Dierenwelzijnsorganisaties klagen over de omstandigheden waarin de vissen opgroeien. Daarnaast smaakt de vis vaak anders en wordt deze meestal gevoed met voer bestaande uit vis. De visserij neemt dus in principe niet af.
Een recente ontwikkeling in de visproductiesector is de komst van de superzalm. Deze genetisch gemodificeerde zalm groeit twee keer zo snel als zijn gewone soortgenoten. Bovendien gaat hij een stuk efficiënter met energie om, waardoor minder voedsel per kilogram consumptievis nodig is.
Op het eerste gezicht een zeer positieve ontwikkeling, maar er zouden ook nadelen aan kunnen kleven. Wanneer superzalmen ontsnappen zouden ze kunnen mengen met wilde soortgenoten. Wat dit voor gevolgen zou hebben, is niet te overzien. Bovendien is er nog maar weinig bekend over de effecten van de modificatie op de gezondheid van de beesten.
Een structurelere oplossing lijkt het verrijken van vlees te zijn. Vele vishaters en vlees-addicts zijn uitermate geïnteresseerd in vlees met een visachtige verhouding tussen omega-3 en omega-6 vetzuren. Dit vlees wordt op dit moment al geproduceerd door dieren visolie of vismeel te voeren.
Het nadeel van deze methode is dat de overbevissing er niet mee bestreden wordt. Om dit gezonde vlees te produceren moeten de dieren namelijk gevoerd worden met vis. Omdat er bovendien tijdens deze extra stap veel energie verloren gaat, is er zelfs méér vis nodig dan voor een even grote omega-3-consumptie op ouderwetse wijze.
Nu de vrees voor genetisch veranderd voedsel enigszins begint af te nemen, durven steeds meer wetenschappers serieus te kijken naar een nieuw alternatief: zij willen genen inbrengen bij landbouwdieren, zodat hun vlees de gezonde vetzuurverhouding gaat bevatten zonder dat ze vis hoeven te eten. Dit lijkt dan ook dé oplossing om op duurzame wijze aan de vraag naar gezonde vetten te voldoen.

Amerikaanse onderzoekers gebruikten een speciale techniek om varkens te ontwikkelen die van zichzelf de 'goede vetten' aanmaken die ook in visolie zitten. Ze isoleerden uit het wormpje C. elegans een gen genaamd 'fat-1'. Dat gen zorgt ervoor dat de worm vetten kan omzetten tot de gezonde omega-3-variant. De onderzoekers plaatsten het gen in gekweekte varkenscellen. Door de aangepaste cellen in een lege eicel te plaatsen (klonen) en in een draagmoeder te zetten, verkregen de onderzoekers zes omega-3-biggetjes. Hun weefsels bevatten een betere verhouding van omega-3 vetzuren ten opzichte van de minder gezonde omega-6 vetzuren.
De pogingen van de varkenshouderij om deze goede vetten in het vlees te krijgen zorgden tot nu toe vaak voor smaakproblemen. De gangbare procedure hiervoor was namelijk door visolie aan het diervoer toe te voegen, waardoor het vlees slecht ging smaken.
Door de toevoeging werd het varkensvet bovendien zachter waardoor het heel andere eigenschappen kreeg in de verwerking. De genetisch aangepaste varkens hebben dat probleem niet, omdat de totale hoeveelheid onverzadigde vetzuren in het vlees gelijk blijft.
De Amerikaanse onderzoeker Kang beweert zelfs dat niet alleen de gezondheid van de mens, maar ook die van het genetisch aangepaste dier zelf beter wordt van het inbouwen van het goede-vetten-gen. Hij was zelf betrokken bij het ontwikkelen van genetisch gemodificeerde muizen met het fat-1 gen. Deze waren op dezelfde manier genetisch aangepast als de omega-3-biggetjes. Het visolie-effect bleek in zijn onderzoek vier generaties muizen lang aan te houden. Of dat ook geldt voor kippen en andere consumptiedieren, is overigens nog de vraag.
De vooruitzichten omtrent deze techniek lijken op het eerste gezicht rooskleurig. Als dezelfde truc nu in meerdere dieren kan worden toegepast, kunnen vlees, melk en eieren direct worden verrijkt met de goede vetten zonder daarvoor vis te hoeven eten of doden! Succes lijkt verzekerd.
Wetenschappers plaatsen echter nog wel wat vraagtekens bij de toepassing van deze. Zo is het nog maar de vraag of de consument vlees van genetisch gemodificeerde dieren zal accepteren. Niet iedereen is het ermee eens dat er wordt gesleuteld aan de natuur. Momenteel leggen de supermarkten in Europa genetisch gemodificeerde producten slechts mondjesmaat op de schappen.
Ook zijn wetenschappers bezorgd over het dierenwelzijn. Wetenschappelijk onderzoek moet nog uitwijzen wat het effect is van de aanmaak van de vetzuren in het varkenslijf. De omega-3 en -6 vetzuren zijn weliswaar gezond voor het menselijk hart, maar er kunnen wellicht ook afbraakstoffen vrijkomen die schadelijk zijn voor het dier. En wat gebeurt er met hun gezondheid als er verder wordt gefokt met deze dieren?
Kortom, een toekomst met boerderijdieren verrijkt met omega-3-vetzuren is denkbaar, maar er moet nog heel wat gebeuren op het gebied van dierenwelzijn, gezondheid en acceptatie voordat de visolie-karbonaadjes in de supermarktschappen zullen liggen.