Genetisch veranderde vissen zijn interessant voor de viskwekerijen, maar er zijn de nodige bezwaren.
In 1982 ontdekken onderzoekers dat sommige vissen een soort antivrieseiwit in hun bloed hebben, waardoor ze in water met temperaturen onder het vriespunt kunnen overleven. Het gen voor dat eiwit werd in de Atlantische zalm ingebouwd. Hiermee hoopten ze de zalm ook in de koudere wateren rond Canada en Noorwegen te kunnen kweken.

Dit mislukte omdat weerstand tegen lage temperatuur niet simpelweg met een enkel gen kon worden ingebouwd. Het gen bleek echter wel in combinatie met een groeihormoon-gen van een andere zalmsoort de groei van de Atlantische zalm te bevorderen. Dankzij dat groeihormoon-gen kunnen genetisch veranderde zalmen worden gekweekt die veel sneller groeien dan normaal.
Niet iedereen is even enthousiast over de superzalm. De zalmen ontsnappen vaak uit de kweekkooien in zee. Zo kan de genetisch veranderde zalm zich vermengen met zijn wilde soortgenoten. Daardoor zou de snelgroei-eigenschap zich onder de wilde zalmen kunnen verspreiden. De gevolgen daarvan zijn moeilijk te voorspellen.