Al eeuwenlang gebruiken we gist om brood, bier en wijn te maken. Maar wist je ook dat gist gebruikt wordt in kanker-onderzoek? Omdat gist een relatief eenvoudig organisme is, leent het zich goed voor onderzoek naar de meest basale processen in een cel, zoals celdeling. Met dit soort onderzoek kunnen we meer te weten komen over het ontstaan van kanker bij de mens.

In 1935 was de Deense onderzoeker Øjvind Winge de eerste die experimenteerde met gist (Saccharomyces cerevisiae) om vragen over genetica te beantwoorden. Hij had al door dat gist een relatief simpel eencellig organisme is en hierdoor gebruikt kan worden voor onderzoek naar processen zoals opname, transport en uitscheiding van voedingsstoffen.
Gist heeft als eencellige meer gemeen met de mens dan met andere eencelligen zoals bacteriën. Net als bij ons zit het erfelijk materiaal (het DNA) van gist in de celkern en niet los in de cel, zoals het geval is bij bacteriën. Ook heeft gist mitochondriën (de energiefabriekjes in de cel) en een endoplasmatisch reticulum (betrokken bij eiwitproductie), terwijl deze componenten in bacteriën ontbreken. Zelfs de stofwisseling van gist lijkt sterk op die van meercellige organismen. Bovendien is de ontwikkeling van een gistcel eenvoudiger dan bij organismen die uit meerdere cellen bestaan: elke gistcel ontwikkelt zelfstandig als één cel, zonder dat andere cellen binnen het organisme signalen afgeven.
Gistcellen kunnen zich heel snel delen: onder de juiste omstandigheden elke 90 minuten. Het deelproces begint met een kleine uitstulping aan de zijkant van een cel. Die uitstulping wordt steeds groter, totdat de nieuwe gistcel zich losmaakt van de oude gistcel. Dit proces is door de tijd eenvoudig te volgen door een microscoop. Bovendien kun je aan de grootte van de uitstulping zien in welke fase van de celdeling de gistcel zich bevindt.
Onderzoekers kunnen in gistcellen vrij gericht genen veranderen, vervangen of zelfs helemaal uit het erfelijk materiaal verwijderen en de effecten hiervan bestuderen. Met bepaalde chemische, kankerverwekkende stoffen kun je DNA zo veranderen dat een gen wordt vertaald in een eiwit dat net iets anders is dan normaal. Zo’n verandering in het DNA heet een mutatie. Een mutatie kan ervoor zorgen dat een van de aminozuren, de bouwstenen van het eiwit, veranderd is. De functie en/of stabiliteit van het eiwit kan dan verstoord raken. In de jaren '60 van de vorige eeuw wekten onderzoekers met chemische stoffen tal van mutaties in het DNA van gist op. Blootstelling van gist aan zo’n chemische stof resulteert in willekeurige DNA-schade: de stof richt zich niet op een specifieke plaats in het DNA. Onderzoek aan gemuteerde gisten heeft gisten met diverse kenmerken opgeleverd, bijvoorbeeld temperatuurgevoelige, UV-straling-gevoelige en aminozuur-deficiënte gisten.

Onderzoekers merkten dat bij sommige gemuteerde gistcellen de celdeling verstoord raakte. Die cellen bleken mutaties in genen te hebben die betrokken zijn bij de celdeling. Op deze manier kwamen de onderzoekers erachter dat ze betrokken zijn bij het regelen van de celdeling. De genen coderen voor eiwitten die ervoor zorgen dat de celcyclus op de juiste manier verloopt. Eén van die genen is RAD9. Wanneer het RAD9-gen door een chemische stof gemuteerd is, codeert het niet meer voor het oorspronkelijke RAD9-eiwit. In plaats daarvan wordt het mutante RAD9-eiwit gemaakt.
De functie van RAD9 is achterhaald doordat onderzoekers met röntgenstraling expres beschadigingen in het DNA gistcellen met en zonder het RAD9-gen aanbrachten. Wanneer het DNA ernstig is beschadigd zal een gistcel normaal gesproken (nog) niet delen, maar eerst proberen het DNA te repareren. Als dat niet lukt, bijvoorbeeld doordat het DNA te ernstig beschadigd is, gaat de cel dood.
Röntgenstralen kunnen het DNA beschadigen. De gistcellen zonder mutatie in het RAD9-gen deelden na behandeling met röntgenstralen niet, of ze gingen dood, terwijl de gemuteerde gistcellen wel gewoon bleven delen. RAD9 zorgt er dus voor dat cellen met beschadigingen in het DNA (nog) niet delen. Als het RAD9-gen niet meer werkt, valt dat veiligheidsmechanisme weg en kunnen cellen ondanks beschadigingen in het DNA wel gewoon blijven delen. Hierdoor kunnen mutaties worden doorgegeven aan een volgende generatie of kan een cel ongeremd gaan delen. Bij ongeremde celdeling kan kanker ontstaan.
In 1996 is het genoom (het totale erfelijk materiaal van een organisme) van de gistsoort Saccharomyces cerevisiae volledig in kaart gebracht. Gistcellen hebben een relatief klein genoom: ze hebben maar ongeveer 1 procent van het DNA van zoogdieren. Het omvat slechts 6.000 genen. Inmiddels zijn verschillende onderzoekers bezig de functies van al die genen te achterhalen. De regelgenen die betrokken zijn bij celdeling zijn bij gist en de mens vrijwel identiek. Kennelijk zijn deze genen zo elementair dat ze niet veranderd zijn, ondanks miljoenen jaren evolutie. De grote overeenkomst wordt nog eens bewezen door het feit dat veel van de regelgenen die betrokken zijn bij celdeling zijn uit te wisselen tussen gist- en menselijke cellen. Wanneer een gistcel zo’n regelgen mist kan het vervangen worden met de menselijke variant. De gistcel kan zo weer normaal delen.