De meeste hartpatiënten die de welbekende dotterbehandeling ondergaan, hebben daarna geen klachten meer. Maar bij 10 tot 15 procent van de patiënten groeit de gedotterde kransslagader toch weer dicht, ondanks de plaatsing van een stent die de ader open moet houden. Amsterdams onderzoek heeft nu aangetoond dat daarvoor een genetische aanleg bestaat, die met medicijnen te ondervangen is.
Een stent is een soort veertje dat in de kranslagader wordt geplaatst, zodat er voldoende bloed door de ader kan stromen. Bij ongeveer een op de tien patiënten groeit de stent dicht met littekenweefsel, waardoor een nieuw hartinfarct dreigt. Artsen noemen dat restenose. Zelfs het plaatsen van een stent met medicijnen tegen littekenvorming kan de woekering niet altijd voorkomen.
Genetisch defect
Door nieuw onderzoek is nu ontdekt dat er een fout kan zitten in de genen die de aanmaak van nieuwe spiercellen regelen. Binnenkort zullen er hoogstwaarschijnlijk testen op de markt verschijnen, waarmee het genetische defect aangetoond kan worden. Dat maakt het mogelijk om per patiënt te besluiten of het plaatsen van een eenvoudige stent voldoende is of dat iemand een duurder en ingewikkelder exemplaar nodig heeft met medicijnen tegen de restenose.
Bron: AMC, 28 september 2009