RNAi

Met RNA-interferentie (ofwel RNAi) kan op RNA-niveau de activiteit van genen worden gereguleerd. RNAi komt bij planten voor als mechanisme om zich tegen virussen te beschermen. Op basis van dit biologische mechanisme is de afgelopen jaren RNAi als techniek ontwikkeld om genen uit te schakelen. Dit zijn bijvoorbeeld genen die een fout bevatten, zoals bij sikkelcelanemie, of genen die overactief zijn, zoals vaak bij kanker het geval is. Bij het uitschakelen van een gen wordt de productie van eiwitten waar dat gen voor codeert, verhinderd. In wetenschappelijk onderzoek wordt RNAi dan ook gebruikt om te bestuderen wat er gebeurt in een cel als specifieke genen worden uitgeschakeld. In 2006 kregen Andrew Fire en Craig Mello de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde voor hun werk aan RNAi. 

RNAi is nu vooral heel belangrijk als techniek binnen wetenschappelijk onderzoek, maar zou in de toekomst ook wel eens als therapie kunnen gaan dienen. Het gaat dan vooral om aandoeningen die worden veroorzaakt door een overactief gen, zoals kanker of de oogziekte natte macula degeneratie. Ook wordt er gewerkt aan HIV-remmers gebaseerd op RNAi.