Genetische modificatie (GM), genetische manipulatie of gentechnologie, zijn de verschillende termen die je kunt tegenkomen als het gaat om het veranderen van de erfelijke eigenschappen van een organisme. Deze belangrijke techniek heeft veel toepassingen in de voedselproducerende sector en de medische wereld.
Bij genetische modificatie wordt een gewenste eigenschap uit het DNA van een organisme geknipt en in het DNA van een ander organisme geplaatst. Dit gebeurt door middel van recombinant-DNA techniek. Het gewenste gen wordt met behulp van een bacterie of virus in de gastheercel ingebracht, en wordt in het DNA van het organisme opgenomen. Het gen komt vervolgens tot expressie en de gewenste eiwitten worden geproduceerd of het organisme vertoont de gewenste eigenschappen. Een genetisch gemodificeerd organisme (GGO, in het Engels: Genetically Modified Organism, GMO) is transgeen. Dat betekent dat het organisme een vreemd gen (transgen) in zijn erfelijke materiaal draagt.
In de landbouw maakt men onder meer gebruik van deze techniek om resistente gewassen te telen. Hierdoor kunnen de gewassen beter tegen bestrijdingsmiddelen of tegen insecten.
Ook in de medische sector wordt gebruik gemaakt van GM. Eén van de bekendste voorbeelden van een toepassing stamt uit de jaren '90: de transgene stier Herman. Herma had een menselijk gen in het DNA dat codeerde voor een menselijk eiwit lactoferrine. Vrouwelijke nakomelingen produceerden dit ontstekingsremmende eiwit in de melk.
Andere bekende voorbeelden zijn: gouden rijst, transgene soja en genetisch gemodificeerde aquariumvissen zoals de GloFish.
Binnen en buiten de wetenschap wordt veel gediscussieerd over de voor- en nadelen van genetische modificatie. Deze discussies gaan onder andere over gezondheidsrisico’s en ongewenste verspreiding van transgene organismen in de natuur. Gezien de korte tijd waarin deze techniek wordt toegepast, is nog een hele hoop onbekend. De toekomst zal ons heel veel leren.